Achtergrond
Deze tekst is natuurlijk algemeen bekend van het motet van Josquin Des Prez (ca 1450-1521). Mij is echter onbekend waar deze tekst vandaan komt. Het lijkt een lofrede op God de Heer te zijn. Mogelijk is het een gebed, waarin ook verwezen wordt naar de aanbidding van Christus. Josquin verdeelt de tekst in twee delen: prima pars en seconda pars. Het genoemde gebed is het eerste deel.
De eerste strofe van het tweede deel heeft een heel ander karakter, en ook een bekende afkomst. Het stamt van een Frans chanson uit de middeleeuwen, d’un aultre amer (in modern Frans d’un autre aimer). Dit lied is een generatie eerder voor koor gezet door Johannes Ockeghem (ca 1410-1497).


Lijkt het bij Ockeghem te gaan om een lied over de liefde en het verkeerde om naar anderen te kijken, bij Josquin wordt de tekst toch iets meer omgebogen naar het religieuze. En natuurlijk in het latijn gezet. Wel heeft Josquin (het begin van) de melodie van Ockeghem, en dus waarschijnlijk van het oorspronkelijke lied, voor deze tekst gebruikt.
De laatste strofe van het tweede deel en van het hele motet lijkt weer meer in de sfeer van het eerste deel.
Overigens heeft Josquin ook een mis D’un aultre amer geschreven. Zoals gebruikelijk in die tijd werden missen vaak op populaire melodieën geschreven. Denk aan de bekende Missa L’Homme Armée van Josquin des Prez, Guillaume Dufay (1397-1474) en vele anderen.
In de versie van mij klinkt deze passage dan zo:

Tekst en vertaling
Prima Pars | |
Tu solus, qui facis mirabilia, Tu solus Creator, qui creasti nos, Tu solus Redemptor, qui redemisti nos sanguine tuo pretiossisimo. | U alleen, die wonderbaarlijke dingen doet, U alleen Schepper, die ons hebt geschapen, U alleen verlosser, die ons hebt verlost door Uw zo kostbare bloed. |
Ad te solum confugimus, in te solum confidimus, Nec alium adoramus, Jesu Christe. | Tot U alleen nemen wij onze toevlucht, op U alleen vertrouwen wij, En wij aanbidden geen ander, Jezus Christus. |
Ad te preces effundimus, Exaudi quod supplicamus, et concede quod petimus, Rex benigne. | Naar U storten wij onze gebeden uit, aanhoor wat wij U smeken, En sta toe wat wij vragen, welwillende Koning. |
Seconda Pars | |
D’ung aultre amer, Nobis esset fallacia: D’ung aultre amer, Magna esset stultitia et peccatum. | Een ander te aanbidden zou een fout van ons zijn. Een ander te aanbidden zou een grote domheid zijn en een zonde. |
Audi nostra suspiria, Reple nos tua gratia, O res regum, Ut ad tua servitia sistamus cum laetitia in aeternum. | Hoor onze zuchten, vervul ons van Uw genade, o koning der koningen, Opdat wij U met blijdschap blijven dienen tot in den eeuwigheid. |
Analyse
Het stuk begint met een eerste bedachtzame inzet met herhalingen op Tu solus in D dorisch. Op het woord “Mirabilia” gaan we naar D groot. Er wordt toegewerkt naar een climax op redemisti sanguine tuo, waarna we afsluiten.

De tweede strofe Ad te solum confugimus begint met een quasi gregoriaanse en beweeglijke frase van de tenoren (in E Dorisch). Hij eindigt met een overtuigend Jesu Christe.

In d klein volgt in de derde strofe de gebedenaanroep van de sopranen. Na een ingehouden bede volgt een overtuigend Rex, benigne.
De vierde strofe is de besproken tekst naar het Franse lied, D’ung aultre amer. In imitatie en tegenbeweging spint zich de tekst door de stemmen.
Met de vijfde en laatste strofe keren we terug naar de sfeer van het begin. Hoor onze zuchten, vervul ons van Uw genade, …, opdat wij u dienen tot in eeuwigheid (E Frygisch). Het stuk eindigt daarmee in zachte berusting en komt ook harmonisch (A groot) tot rust in de laatste eeuwigheid.
2021-05-15