Tota pulchra es is een katholiek gebed dat in de vierde eeuw werd geschreven. De titel betekent “Je bent volkomen mooi” (verwijzend naar de Maagd Maria). Het spreekt over haar Onbevlekte Ontvangenis. Sommige verzen worden gebruikt als antifonen voor het feest van de Onbevlekte Ontvangenis. Het neemt een deel van de tekst uit het boek Judith en een ander deel uit het Hooglied, met name 4:7.
Het Hooglied
In dit stuk zijn een aantal strofen uit hoofdstuk 4 van het Hooglied gebruikt. Dat is dus niet de tekst van het oorspronkelijke gebed, dat begint met vers 7.
Ook dit stuk begint met vers 7, dat immers de kern is van Hoofdstuk 4 van het Hooglied. “Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, er is geen gebrek aan u.”
Vers 9 beschrijft dan, hoe de schrijver bevangen is door, het hart verloren is aan, haar ogen. Die ogen komen nogmaals ter sprake in vers 1, waarin ze worden vergeleken met duivenogen en het haar met een kudde geiten.
Tekst en vertaling
In dit stuk worden de verzen 1, 6, 7 en 9 uit Hoofdstuk 4 van het Hooglied van Salomo gebruikt.
Hieronder vind u de teksten uit het gebed in het latijn en de officiële Nederlandse vertaling in de volgorde, waarin ze verklankt zijn.
| Vers | Latijn | Vertaling |
|---|---|---|
| 4:7 | Tota pulchra es, amica mea et macula non est in te. | Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. |
| 4:9 | Vulnerasti cor meum soror mea sponsa vulnerasti cor meum in uno oculorum tuorum et in uno crine colli tui. | Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals. |
| 4:7 | Tota pulchra es, amica mea. | Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin. |
| 4:1 | Quam pulchra es, amica mea, quam pulchra es, oculi tui columbarum absque eo quod intrinsecus latet, capilli tui sicut greges caprarum, quae ascenderunt de monte Galaad. | Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren. |
| 4 | Tota pulchra es, amica mea et macula non est in te. | Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. |
| 4:6 | Fuerunt mihi lacrimae meae panes die ac nocte, dum dicitor mihi quotidiae: Ubi est Deus tuus? | Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel. |
| 4:7 | Tota pulchra es, amica mea. | Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin. |
Analyse

Tota pulchra es
De kern, Tota pulchra es, wordt driemaal in stijgende lijn herhaald. Eerst met 3 stemmen eenstemmig op een liggende toon, oplopend naar 2- en 3-stemmig.
Tota pulchra es, 2e versie
Bij de herhalingen van het kernmotief worden de stemmen verwisseld, terwijl de noten gelijk blijven.


Tota pulchra es, 3e versie
Ook hier weer dezelfde noten anders over de stemmen verdeeld.
Tota pulchra es, slotfrase
In de slotfrase zit de oorspronkelijke sopraanstem nu in de bas.


Quam pulchra es, amica mea
Het uitgebreide aanvangsvers heb ik centraal in het stuk geplaatst. Het is gezet in een overtuigend majeur.
Oculi tui columbarum
Het middendeel gaat verder over haar ogen, die lijken op duivenogen. We horen hier de duiven fladderen.


Capilli tui sicut greges caprarum
We horen hier hoe haar haar is als een kudde geiten.
Donec adspiret dies et inclinentur umbrae
Bij het krieken van de dag en als de schaduwen vlieden zal ik gaan tot de mirreberg. Het beklimmen van de berg wordt aangeduid in de stijgende lijn op “vadam”.

2025-03-25