Het motet is een zetting van Psalm 42 :1-3. De psalm was een voorgeschreven traktaat voor de zegening van het water (doopvont) op Stille Zaterdag , waarin het water van de doop werd herdacht, evenals het “levende water van de eucharistie”. De tekst, die spreekt over het verlangen naar God, behield zijn associatie met begrafenismuziek en werd veel gebruikt als het traktaat voordat het Tridentijnse Romeinse Missaal van 1570 het traktaat Absolve, Domine standaardiseerde.
Psalm 42 is de 42e psalm van het boek Psalmen , in het Engels vaak bekend onder zijn incipit , “As the hart panteth after the water brooks” (in de King James Version ). Het boek Psalmen is onderdeel van het derde deel van de Hebreeuwse Bijbel en een boek van het christelijke Oude Testament . In de Hebreeuwse Bijbel opent Psalm 42 het tweede van de vijf boeken (afdelingen) van de Psalmen, ook bekend als de “Elohistische Psalter” omdat het woord YHWH zelden wordt gebruikt en God over het algemeen wordt aangeduid als ” Elohim “.
In het Latijn is de incipit in het Psalterium Gallicanum (de versie in het Romeinse brevier tot de optionele introductie van de Versio Piana in 1945) Quemadmodum desiderat cervus ; maar Sicut cervus in het Psalterium Romanum . Het begint met ” As pants the hart ” in de Engelse metrische versie van Tate en Brady (1696) en in Coverdale’s vertaling in het Book of Common Prayer , ” Like as the hart “.
De psalm vormt een vast onderdeel van de Joodse , Katholieke , Lutherse , Anglicaanse en andere protestantse liturgieën en is vaak op muziek gezet, met name in Palestrina’s Sicut cervus , Händels As pants the hart en Mendelssohns Psalm 42 .
Tekst en vertaling
In dit stuk worden de verzen 1-3 van Psalm 42 gebruikt, zoals deze ook door Palestrina zijn gekozen. De psalm handelt over de zonen van Koré (1 Kronieken 26). Koré (of Korè) betekent maagd in het Grieks. Daarmee wordt ook verwezen naar de Griekse godin Persephone, de godin van het dodenrijk en van de lente.
De psalm beschrijft het verlangen van de ziel te verschijnen voor het aangezicht van God (vers 2). In dit vers komt dit krachtiger en ongeduldiger naar voren, dan in vers 1. Daar wordt de vergelijking getrokken met het hert, dat verlangt naar de waterbronnen. In het laatste vers (vers 3) komt de twijfel naar boven, geïnspireerd door de omgeving; dit verlangen leidt tot dagelijkse tranen.
| Vers | Latijn | Vertaling |
|---|---|---|
| 1 | Sicut cervus desiderat ad fontes aquarum: ita desiderat anima mea ad te, Deus. | Zoals het hert verlangt naar de waterbronnen: Zo verlangt mijn ziel naar U, o God. |
| 2 | Sitivit anima mea ad Deum fortem vivum: quando veniam et apparebo ante faciem Dei? | Mijn ziel dorstte naar de sterke, levende God: Wanneer zal ik komen en voor het aangezicht van God verschijnen? |
| 3 | Fuerunt mihi lacrimae meae panes die ac nocte, dum dicitor mihi quotidiae: Ubi est Deus tuus? | Mijn tranen zijn mijn brood geweest dag en nacht, Terwijl mij dagelijks wordt gevraagd: Waar is jouw God? |
Analyse
Het stuk begint in de kerktoonsoort D-Dorisch, een variant op D-mineur met een grote sext. Vers 1 (letter B) eindigt in D-majeur, waarna vers 2 in D-majeur verder gaat. Na de eerste zin slaat de twijfel weer toe en keren we terug naar mineur, waar we in A- mineur eindigen.
Zo begint het laatste vers (vers 3), waarin we ook weer terugkeren naar D-Dorisch. Bij de verklanking spelen bepaalde woorden een belangrijke rol. Zo wordt het “desiderat” (verlangen) in vers 2 (letter A en B) steeds in een stijgende lijn gezet. Het woord “lacrime” (tranen) (letter E) wordt met veel dalende versieringen omkleedt. In vers 3 letter D vormt de frase “quando veniam” een herhalende en stijgende opening door de stemmen heen.
Hoewel beginnend in D-Dorisch eindigt de ultieme vraag aan het slot van vers 3 “Ubi est Deus tuus?” naar barokke traditie niettemin in D-majeur.
Vorm
De 3 verzen, hier getoonzet, zijn in een A-B-A vorm geplaatst.
| Vers 1 – A | letter A: D-Dorisch, fugatische inzet, polyfoon |
| letter B: D-Dorisch, breder, homofoon | |
| Vers 2 – B | letter C: D-majeur, fugatische inzet S-A gevolgd door T-B, polyfoon |
| letter D: A-mineur, brede rustige opzet, polyfoon | |
| Vers 3 – A | letter E: D-Dorisch, fugatische inzet verwant aan letter A, polyfoon |
| letter F: D-Dorisch, breed van opzet, homofoon, afsluitend in D-majeur |
v.1 … Siucut cervus desiderat ...
[A] Het stuk begint met een fugatische inzet:
Zoals het hert verlangt naar de waterbronnen:


v.1 … ita desiderata anima mea ad te
[B] Vers 1 sluit homofoon af.
zo verlangt mijn ziel naar u, O God.
v.2 … Sitiuvit anima mea …
[C] Vers 2 begint met canonische inzetten, van vrouwen en mannen.
Mijn ziel dorstte naar de sterke, levende God:


v.2 … quando veniam …
[D] Het “quando veniam” wordt in alle stemmen na elkaar aangekondigd.
Wanneer zal ik komen en voor het aangezicht van God verschijnen?
v.3 … Fuerunt mihi lacrimae meae …
[E] Vers 3 begint met fugatische inzetten analoog als het begin van het stuk.
Mijn tranen zijn mijn brood geweest dag en nacht:


v.3 … dum dicitor mihi quotidiae: …
[F] Vers 3 begint homofoon om de eenheid van verlangen uit te beelden.
Terwijl mij dagelijks wordt gevraagd:
v.3 … Ubi est Deus tuus …
Hier eindigt het stuk gedragen, maar toch vragend, in D-groot.
Waar is jouw God?

2025-05-07