
Toelichting
“Auf dem Wasser zu singen” (Zingen op het water), D. 774, is een lied dat Franz Schubert in 1823 componeerde, gebaseerd op het gelijknamige gedicht van Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg.
De tekst beschrijft een scène op het water vanuit het perspectief van de verteller die in een boot zit, en duikt in de reflecties van de verteller op het verstrijken van de tijd. De pianobegeleiding van het lied herschept de textuur van de glinsterende golven (der Freude sanftschimmernden Wellen) die in de derde regel van het gedicht worden genoemd en de ritmische stijl in de 6/8-maat doet denken aan een barcarole. Harmonisch gezien volgt het lied als geheel en binnen elke strofe een beweging van de mineurmodus naar de majeurmodus.
Media
(bron: Wikipedia)
Bewerking
In deze bewerking voor 4-stemmig koor SATB ben ik vrijwel volledig uitgegaan van de originele melodie, die overwegend in de bovenstem blijft, en de begeleiding. Enige vrijheden, die ik heb genomen zijn:
- Aan het slot van couplet 1 en 2 heb ik de slotpassage met de lang aangehouden noot op de kwint nogmaals in een andere zetting herhaald, aangepast aan de onveranderde begeleiding in de overgang naar het volgende couplet (maat 30-33 en 57-61).
- De beginregels van het tweede couplet heb ik met 2x een maat verlengd om enige canonische inzetten te realiseren (maat 35-40). Het stuk is daardoor 2 maten langer dan het origineel.
- In de a cappella versie heb ik wat meer vrijheid genomen bij het begin van de coupletten en soms op andere plaatsen, zoals de afsluiting. Vrijheid in de vorm (tekstherhalingen en canonische inzetten) en harmonisch. Om daarbij veel dubbelmollen te vermijden heb ik het stuk van As naar G een halve toon lager gezet.
Tekst
| Originele tekst | Vertaling door mij |
|---|---|
| Mitten im Schimmer der spiegelnden Wellen gleitet, wie Schwäne, der wankende Kahn; auch, auf der Freude sanftschimmernden Wellen gleitet die Seele dahin wie der Kahn; denn von dem Himmel herab auf die Wellen tanzet das Abendtor rund um den Kahn. | Midden in de glans van de spiegelende golven glijdt de zwaaiende boot als zwanen; ook op de vreugde der zachtglinsterde golven glijdt de ziel als een boot; want vanuit de hemel neerwaarts op de golven danst de avondpoort rond de boot. |
| Über den Wipfeln des westlichen Haines winket uns freundlich der rötliche Schein; unter den Zweigen des östlichen Haines säuselt der Kalmus im rötlichen Schein; Freude des Himmels und Ruhe des Haines atmet die Seel im errötenden Schein. | Boven de toppen van het westelijke bosje wenkt de roodachtige gloed ons vriendlijk toe; onder de takken van het oostelijke bosje fluistert de kalmoes in de roodachtige gloed; Vreugde van de hemel en vrede van het bos ademt de ziel in de blozende gloed. |
| Ach, es entschwindet mit tauigem Flügel mir auf den wiegenden Wellen die Zeit. Morgen entschwinde mit schimmerndem Flügel wieder wie gestern und heute die Zeit, bis ich auf höherem strahlenden Flügel selber entschwinde der wechselnden Zeit. | Helaas verdwijnt voor mij de tijd met een bedauwde vleugel op de wiegende golven. Morgen zal weer met een glinsterende vleugel zoals gisteren en vandaag de tijd verdwijnen, totdat ik op een hogere, stralende vleugel zelf verdwijn uit de veranderende tijd. |